zondag 13 september 2009

Werkoverzicht tot week 12

Werkoverzicht 6 vwo tot aan 1e Schoolexamen (week 12)

Inleiding (goed lezen!)

Dit jaar staan er drie thema’s op het programma. Er bestaat een nauwe onderlinge samenhang.
1) Hoofdstuk 2: Zijn (over metafysica)
2) Hoofdstuk 3 Kennen en weten (over kennisleer/epistemologie)
3) Examenbundel Rede en Religie


We hebben bij Heidegger gezien dat de Westerse metafysica, die een begin maakt bij Plato en de pre-socraten, nog doorwerkt in onze huidige zijnsopvatting. Heidegger beweert dat het metafysische denken uitmondt in het heersen van de techniek waarin alles – natuur, mens – als voorhanden verschijnt. De traditie van het Westerse denken wordt zo belangrijk om het heden te begrijpen. Bovendien wordt een terugdenken naar het begin van de Griekse aanvang een voorwaarde voor een oorspronkelijker zijnsverstaan. Belangrijk om vast te houden is dat de traditie van het denken daarmee niet iets is wat overwonnen is, iets waar we klaar mee zijn. Dat is vaak wel de pretentie van de vakwetenschappen die zich over de vragen die eerst de filosofie toebehoorden hebben ontfermd. De vraag naar wat kennis en wat kennis (epistemologie) is bijvoorbeeld overgenomen door de psychologie en neurowetenschappen. De vraag naar kennis wordt vaak gesteld als een vraag naar het functioneren van onze hersenen en cognitieve vermogen. Inderdaad, de mens als voorhanden ding waarvan je het mechaniek kunt ontleden (zie bv p. 96, hfst. 20 en de inleiding van hoofdstuk 3).

Samenhang:
De metafysica houdt zich, volgens de klassieke definitie van Aristoteles, bezig met de vraag naar het zijn van het zijnde. Het gaat hier niet om een specifiek deelgebied, een specifieke zijnde ( = dieren, postzegels, de mens, een rivier, muziek, economie, politiek, psychologie enz.). De metafysica vraagt naar de structuur van het gehele zijn (ontologie = zijnsleer). Dat omvat dus God, het universum alsook atomen en je mobiele telefoon. Een essentiële vraag in de metafysica is hoe we uberhaupt kennis kunnen verkrijgen over het zijn. Daar raakt de metafysica dus aan de kenleer. Het (metafysische) kennen maakt gebruik van een bepaalde kennisbron: weten we via onze zintuigen (empirisme) of is de Rede de belangrijkste autoriteit? Verkrijgen we kennis van de waarheid door intuïtie (gevoel) of door een goddelijke openbaring. Of is wat we voor waar houden gewoon iets dat bepaald wordt door gewoonte en traditie, het vanzelfsprekende?
Het vanzelfsprekende is een van de belangrijkste obstakels voor een filosofisch denken over metafysica en kennisleer. Iedereen heeft meningen (doxa) die als bij toverslag in allerlei hoofden hebben postgevat. Meningen zijn toch gewoon waar. Enige kritische reflectie op de kwaliteit van een mening wordt al snel als respectloos opgevat. Ook zijn we al vertrouwd met de wereld. We hoeven ons niet telkens af te vragen hoe je een fiets bestuurt. Het onderscheid tussen een mens en een dier, een auto en een tafel is ons ‘automatisch’ gegeven. Dat maakt dat het filosofische vragen naar het hoe en wat van kennis om nog maar te zwijgen van de vraag naar het zijn van het zijnde in het dagelijks leven weinig aandacht krijgt.
Waarom houden we ons er dan mee bezig?
1) De belangrijkste reden ligt in het woord filosofie zelf. Liefde voor en verlangen naar wijsheid en kennis, dat is volgens Aristoteles eenieder gegeven. Het verkrijgen van kennis over het zijn en de zijnden is een doel in zichzelf (hfst 2)
2) Kennis, wetenschap en techniek. Vanaf de moderne tijd (vanaf circa 1600) wordt kennis over de werkelijkheid een belangrijke bron van macht. Het kennen van de natuur maakt de natuur controleerbaar. De nadruk komt meer op praktische kennis te liggen. Het empirisme wordt de dominante kenleer. Kennis moet opeens een doel buiten zichzelf hebben, functioneel zijn.
3) Religie en aanverwante grote levensvragen. De eerste vraag van de metafysica is volgens Heidegger: ‘Waarom is er zijnd en niet veleer niets?’ Deze vraag zal je niet helpen de kennis te verwerven om je gecrashte computer weer te maken, maar het is een belangrijke vraag. In het examenonderwerp Rede en Religie zullen we zien dat de filosofie van oudsher op gespannen voet staat met de religie, omdat in de filosofie afscheid wordt genomen van mythische, religieuze verklaringsgronden. De Rede en de zintuigen vormen een andere kennisbron dan de goddelijke openbaring en de traditionele, religieuze opvattingen. De verhouding tussen Rede en Religie zal, zoals uit de bestudering van de drie thema’s zal blijken, telkens veranderen. Een cruciaal breekpunt is de filosofie van Kant. In zijn Kritiek van de zuivere Rede beargumenteert hij dat vragen naar God, onsterfelijkheid en het bestaan van de vrije wil vanwege onze specifieke, beperkte kenvermogens niet te beantwoorden zijn. Die onkenbaarheid van God gaf kort daarop Nietzsche de munitie om God dood te verklaren alsook de metafysica op te doeken. Ook de vragen van de metafysica lieten zich immers niet beantwoorden.
Maar laten we bij het begin beginnen.

Werkoverzicht
- de bundel Rede en Religie krijgen jullie binnenkort via school.
- De kopieën zijn een selectie van hoofdstuk 2 en 3. Ik heb de hoofdstukken in elkaar geschoven opdat je niet eerst van Plato naar Nietzsche gaat en in het volgende hoofdstuk opnieuw van Plato naar Nietzsche gaat.
- Zelfstudie wordt belangrijker dan vorig jaar. Ik kan niet alles in de les behandelen. Formuleer derhalve vragen bij de stof als je deze niet begrijpt en vraag het me.
- De antwoorden op de vragen zijn beschikbaar. In het Daltonuur kun je bij mij de antwoordenmap ophalen.

week 3: Inleiding
Lezen:
Inleiding hfst 3: 182-187
Inleiding hfst 2: 95-101

Maken werkboek:
2.1 t/m 2.4
3.2, 3.3, 3.4, 3.8, 3.9

week 4: Plato

Lezen:
hfst. 2: 101-115
hfst 3: 194-200 (in pakket hoofdstuk 2, na 115)

Maken:
2.5t/m 2.9, 213 t/m 2.16

week 5: Plato
Lezen:
hfst. 2: 101-115
hfst 3: 194-200

Maken:
3.18 t/m 3.28

week 6: Aristoteles
Lezen:
hfst 2: 116-126 (in pakket hfst 2, na 194-200 Plato)
hfst 3: 206-211

Maken:
2.19 t/m 2.26

week 7 – culturele reizen (maar lekker Rede en Religie lezen in de bus!!)

week 8 (na herfstvakantie) Aristoteles
Lezen
hfst 2: 116-126 (in pakket hfst 2, na 194-200 Plato)
hfst 3: 206-211

maken:
3.39- 3.43

week 9: Thomas van Aquino en inleiding Rede en Religie

Lezen:
Hfst. 2: hoofdstuk Thomas
Inleiding Rede en Religie en p. .. over godsbewijzen.

maken: 2.27 t/m 2.33

week 10 Thomas, inleiding Rede en Religie, Descartes

Lezen:
hfst 3: 201-205 (een nieuwe begin)
hfst 2: 133-141 (na ‘een nieuwe begin’).

maken:
2.34 t/m 2.39
2.41 (Spinoza) – vat de kritiek van Spinoza op Descartes samen.

week 11: Descartes, Spinoza en begin moderne tijd
Lezen:
hfst 3: 201-205 (een nieuwe begin)
hfst 2: 133-145 (na ‘een nieuwe begin’).

Maken:
3.33 (meditaties!!!), 3.34, 3.36

week 12 Tentamenweek.

Leerstof:
Tentamen 1 (week 12):
Hoofdstuk 2 en 3: Inleiding, Plato, Aristoteles, Thomas, Descartes, Spinoza
Rede en Religie: Inleiding

Tentamen 2 (week 26, 22 maart):
Hoofdstuk 2 en 3: alles (de nadruk ligt op Kant en wat daarop volgt en Rede en Religie)
Rede en religie: hoofdstuk 1, 2, 3

Centraal schriftelijk: gehele eindexamenbundel Rede en Religie.